Vrienden van de Wijenburg
   
  Home > Boeiende verhalen > Voor de edele Janus Dousa  
  Voor de edele Janus Dousa  
 
Willem van Oranje had de stad Leiden gewaarschuwd, dat generaal Valdez die naar het Zuiden was getrokken, zou kunnen terugkeren. Het stadsbestuur gaf hier geen gehoor aan en sloeg geen extra levensmiddelen in. Dit was een grote vergissing. In de nacht van 25 op 26 mei keerde Valdez naar Leiden terug om het beleg te hervatten. De bevolking in de stad kreeg vreselijk te lijden.

Van de 18000 inwoners stierven 6000 de hongerdood of overleden aan de pest. De burgemeester bood zijn eigen arm aan als voedsel voor de bevolking. Tijdens dit tweede beleg voerde Janus Dousa (Jan van der Does) het bevel over de stadsverdediging. Hij voerde een hoofdrol in het verzet tegen de Spanjaarden. Koppig weigerde hij elk overleg of bestand. De enige manier om de Spanjaarden op de knieën te krijgen was het doorsteken van de dijken. Toen het water steeds hoger in de polder kwam te staan, was Valdez genoodzaakt zijn belegering te staken. Door deze actie werd Leiden ontzet.

Direct na deze gebeurtenis besloot Willem van Oranje tot de stichting van een universiteit, waar in vrijheid van opvatting en godsdienst gestudeerd kon worden. Dousa werd de grondlegger en grote inspirator van deze universiteit. Hij werd de eerste bibliothecaris en was tientallen jaren curator. Naast vechter en bestuurder was hij een intellectueel en dichter. Hij had een netwerk van vriendschappen. Hierdoor was hij in staat beroemde geleerden als Lipsius en Scaliger naar Leiden te halen. Dit netwerk van Janus Dousa vormde de basis voor de Leidse universiteit.

Een goed overzicht van al die vriendschappen vinden we terug in Dousa’s album amicorum (vriendenboek). Over een periode van 30 jaar legden al deze vrienden hierin hun bijdragen vast. In een later stadium komen we terug op het ontstaan van een album amicorum. Dousa schafte zich het boekje in zijn studententijd aan maar ook daarna ging hij door met het vastleggen van zijn vriendschappen en ontmoetingen. 134 medestudenten, professoren, humanisten, bestuurders, politici en andere tijdgenoten kregen een plaats in dit boek.

De twee oudste bijdrages aan het album amicorum van Dousa zijn van Adriaan van Mathenesse en Otto van Wijhe. Beiden staan ze gedateerd op 27 april 1563 in Douai. Deze plaats lag in de Zuidelijke Nederlanden. Vrienden van de wijenburgPhilips ll had er een universiteit gesticht met de bedoeling studenten te laten studeren in een Franse sfeer zonder daar Frankrijk zelf voor in te hoeven. Het protestantisme had in Frankrijk een dominante positie veroverd. Voor de studenten was het beter dat zij niet met deze verderfelijke leer in aanraking zouden komen.Veel succes had Philips hier niet mee. De meeste studenten kwamen uit nieuwsgierigheid kijken om vervolgens weer naar Frankrijk af te reizen.
Hier moeten Otto, Janus en Adriaan in maart en april 1563 hebben rondgelopen. Hoe zal hun studententijd gevoeld hebben? Zeker zal er gesproken zijn over de politieke en godsdienstige ontwikkelingen van die tijd.De 3 vrienden namen ook de ganzenveer ter hand.
Van Mathenesse schreef daar op een los blaadje papier:

Geweld is geen recht,
Voor de adellijke jongeman die zowel door kennis der letteren als door glans van zijn afstamming uitblinkt, Janus Dousa van Noordwijk, zijn zeer geliefde verwant, heeft Adriaan van Mathenesse dit ter herinnering aan hun blijvende vriendschap geschreven. Douai, in het jaar 1563, 27 april.

Op dezelfde dag leverde ook Otto van Wijhe zijn bijdrage:
Vrienden van de wijenburg
1563.
Patience, et esperance.
Nobili, honesto, ac egregio viro Domino Ioanni a Doeza Aquilouicano in perpetuae amicitiae memoriam haec scribebat Otho a Wijhe, Duacj. 27 Aprilis.

vertaald:
1563.
Geduld en hoop.
Voor de edele, eerzame en voortreffelijke Heer, de Heer Janus Dousa van Noordwijk, heeft Otto van Wijhe dit ter herinnering aan hun blijvende vriendschap geschreven. Douai, 27 april.

De bijdrage van Otto werd versierd met het fraai geschilderde Van Wijhe-wapen, aangebracht door een professionele ambachtsman. De illustratie laat op prachtige wijze de negen zilveren blokjes van azuur zien. Verder de klimmende dubbelstaartige leeuw, gekroond, getongd en geklauwd van goud; dekkleed van zilver en keel (rood); gouden kroon met drie fleurons (bladeren); helmteken: een dubbelstaartige, klimmende leeuw van keel; ten halve lijve uitkomend, gekroond, getongd en geklauwd van goud; Otto’s spreuk staat in de banderolle. De benaming “keel” staat voor moed en opoffering. Het azuur wijst op waarheid en wetenschap.

Deze ontmoeting van de drie mannen in Douai laat iets zien van het respect dat men had voor elkaars geleerdheid. Van Mathenesse prees Dousa’s kennis der letteren. Dousa liet zich niet onbetoond en sprak zijn waardering voor Adriaan van Mathenesse uit in zijn bijdrage in dat album. Dousa schreef in 1569 een gedicht “Ad Hadrianum Mathenesium”. Dit deed hij om zijn respect voor van Mathenesse in een blijvend gedenkteken vast te leggen. Hij noemde de relatie met hem een “doctus amor”, een op geleerdheid steunende wederzijdse genegenheid. Je zou bijna denken dat Otto van Wijhe zich in dit gezelschap wat verlegen moet hebben gevoeld. Het is zeker opmerkelijk dat Otto hier de leus “geduld en hoop” gebruikte. Voor zijn eerste eigen album, dat hij op dat moment niet bij zich had gebruikte hij het credo “Nil sine Deo” (“Niets zonder God”). Was Otto’s aanwezigheid in dit gezelschap reden om zijn spreuk te wijzigen?

 
     
  lijn