In 1492 kreeg Gelre weer een hertog van eigen bodem. Na een lange periode van hertogen van niet Gelderse afkomst kreeg Gelre tot vreugde van de bevolking weer een hertog met echt Gelders bloed. Karel was de zoon van hertog Adolf en opgevoed aan het Bourgondische hof maar hij voelde zich vooral een echte inwoner van Gelre.
Hij beschouwde de Bourgondiërs als vijand. Karel was een ouderwetse ridder die hield van de strijd. Zijn regeerperiode was een aaneenschakeling van oorlogen en strooptochten.

Hij deed dat met zijn legendarische veldmaarschalk Maarten van Rossum. Het hele Gelderse land verarmde tijdens het bewind van de onverschrokken Karel. Buiten Gelderland had hij de bijnaam “de Gelderse Duivel.”
Nog even het jaar 1492; dit was het begin van zijn regeerperiode die 46 jaar zou duren. Tijdens de inhuldiging wapperden op veel kastelen en versterkte herenhuizen van edelen de veelkleurige banieren en banderollen. ’s Avonds werd er dan geïllumineerd met pekworsten en zwevelkeersen. Het is maar zeer de vraag of die feestelijkheden ook op de Wijenburg hebben plaatsgevonden. In dat jaar zwaaide Otto van Wijhe als zevende heer tot Echteld hier de scepter. Het huis was nog een zelfstandig goed. Met verve verdedigde Otto de allodiale rechten van de Wijenburg. In deze kwam hij echter in botsing met de “de Gelderse Duivel”. Wat was het geval? Otto van Wijhe was op de hand van de Bourgondiërs. Voor Karel was dit onbestaanbaar. Het kon niet uitblijven dat dit tot een conflict zou leiden. De aanleiding kwam snel.
Tijdens een dijkschouw constateerde jonker Otto dat Berend van Wees de dijk langs de Waal niet goed onderhouden had. Berend (een verklaard aanhanger van Karel van Gelre) accepteerde deze aantijging van Otto niet. Om deze zaak uit te vechten moest de Bourgondische heer tot Echteld verschijnen voor de klaringsbank in Kesteren. Tijdens deze zitting drongen Berend van Wees en de zijnen het Ambthuis binnen en sleepten Otto naar buiten, bonden hem op een paard en reden met hem naar Wageningen. In een kerker onder het Spijk werd hij onder toezicht van Albert van Lawick zwaar gemarteld. Hertog Karel uit Arnhem zat inmiddels ook niet stil. Hij stuurde een troep soldaten naar Echteld om daar orde op zaken te stellen. De kerk werd bezet en gebruikt als paardenstal. De slotgracht werd gedempt en het kasteel in brand gestoken. Ook de huizen in het dorp kwamen er niet brandschoon vanaf. De wraak van de onverzoenlijke Gelderse vorst strekte zich uit tot ieder die iets te maken had met Otto van Wijhe. In 1493 moesten er 500 goudguldens aan te pas komen om de heer van de Wijenburg vrij te kopen. Otto op zijn beurt liet het er niet bij zitten.
Hij opende dat deel van het Huis dat nog bewoonbaar was voor de vijand. De soldaten van David van Bourgondië waren hartelijk welkom. Dapper of niet, voor de Wijenburg betekende dit de doodsteek. Natuurlijk liet Karel dit niet gebeuren. In 1495 dwong hij Otto op de knieën. Er kwam een einde aan de zelfstandigheid van de burcht. Voortaan zou de Wijenburg een “open huis” zijn voor de hertog. Otto mocht erin wonen, maar dan als een beleend huis. Geredeneerd naar de tijd was dit een grote schande die een vrij edelman onderging. De latere Van Wijhe-geslachten hebben geprobeerd onder deze leenstatus uit te komen. Tevergeefs, de Van Wijhe's waren hun allodiale rechten op de Wijenburg voorgoed kwijt.