Vrienden van de Wijenburg
   
  Home > Bewoners > Familie Van Wijhe (1271|1751) > 1e heer Jordaen (1271|1300)  
  1e heer Jordaen (1271|1300)  
 
Jordaen van Wijhe de 1e heer van Echteld trouwde in 1271 met vrouwe van Echteld.
Hij overleed omstreeks 1300.
Ze hadden drie kinderen: Hendrik, Johan en Willem.

Hendrik
overleed (in 1298) voor zijn vader, waardoor zijn broer Johan de 2e heer van Echteld werd. Van Hendrik weten we dat hij een zoon (Johan) en 2 dochters had (Hermana en Aleid). Dochter Hermana van Wijhe was abdis van het klooster ter Hunnepe bij Deventer. Dochter Aleid van Wijhe trouwde Bernt Palick van der Wilten. Zij woonden op het huis De Wilt in Gendringen (in de het zuiden van de  Achterhoek bij de Duitse grens). Hun zoon Gerrit Palick van Sevenaer werd ambtman in de Liemers. Na het overlijden in 1368 van Jan, de laatste graaf van Kleef, kreeg zijn weduwe, Mechteld van Gelre, als "weduwegift" de Liemers en mocht zij een nieuwe ambtman aanstellen. Dat werd in 1371 Gerrit Palick van Sevenaer. Een neef van zijn moeder Aleid van Wijhe, Walraven Johanszoon van Wijhe, bezegelde de brief waarbij Gerrit Palick van Sevenaer  in 1371 beloofde de voorwaarden te onderhouden met betrekking tot zijn aanstelling als ambtman. Gerrit Palick van Sevenaer bleef slechts 2 jaar ambtman. In die tijd was hij als ambtman ook slotbewaarder (borgman) van kasteel Sevenaer. Later in 1395 kreeg hij door de heren van Wisch het kasteel Sevenaer in bezit. Hij wist handig te opereren tussen Kleef en Gelre maar in 1402 moest hij kasteel Sevenaer verlaten nadat de Liemers door hertog Reinald IV van Gelre (opvolger van hertog Willem van Gulik) weer aan Kleef moest worden afgestaan. 

Opvallend is dat er rond 1325 een Johan van Wijhe deken was van de Lebuinuskerk in Deventer. Op 11 juni 1336 stelt Albertus de Reno, klerk van de bisschop van Utrecht en notaris van de Duitse keizer, het testament op van Johannes de Wye deken van de Lebuinuskerk van Deventer. Hij verklaart daarin aan de kerk van Deventer, ten behoeve van de kanunniken en vicarissen, zijn Veluwse goederen geschonken te hebben. Voor de oprichting en dotatie van een kapel in Deventer schenkt hij het huis Wymerinc in Herike (bij Markelo) en enkele tienden in Holten, Wesepe en Haarle. Mogelijk was deken Johan van Wijhe de zoon van Hendrik van Wijhe.


Johan
werd de 2e heer van Echteld.

Willem (geb. ca. 1275)
in 1313 wordt (volgens het boek ''Coulissen van de macht'' , op internet te lezen) door Gosewinus de Gruthus in Arnhem een jaarrente gekocht voor de kinderen van Wilhelmus de Wije. Mogelijk gaat het hier om deze Willem.
Willem had in ieder geval een zoon die Johan (geb. ca. 1300) heette en die in 1368 als ridder de huwelijksvoorwaarden tussen hertog Eduard (een zoon van hertog Reinald II van Gelre) en Catharina van Beieren zegelde. Ook vestigde deze  Johan Willemszoon van Wijhe in 1368 een erfpacht op de Renakker bij Greffelingen (Alphen langs de Maas).


Zegel van Johan Willemszoon van Wijhe uit
1368 (Gelders Archief).

Johan Willemszoon van Wijhe had een zoon, Johan Johanszoon van Wijhe (geb. ca. 1330), die met Agnes van Benthem trouwde. Zij was eerder met Jan van Arkel getrouwd geweest. In 1400-1404 blijkt Agnes van Benthem, volgens verschillende aktes, weduwe van Johan van Wijhe te zijn en erft zij van hem goederen in Alphen tussen Maas en Waal. Agnes van Benthem hertrouwde na het overlijden van Johan van Wijhe in 1401 met Johan van Reydt. Johan Johanszoon van Wijhe en Agnes van Benthem hadden een zoon Johan Johanszoon van Wijhe (geb.ca. 1360). Agnes en haar zoon Johan Johanszoon van Wijhe worden in 1402 en 1407 meermalen genoemd i.v.m. de tienden van Zandwijk. Vermoedelijk was het deze Johan Jansz. van Wijhe die (na het overlijden van Jan van Hemert heer van Nederhemert) in 1416 afstand deed van alle erfenis verkregen via zijn vrouw Agnes van Hemert (dochter van Jan van Hemert) ten gunste van Ghijsbert van Hemert (broer van Agnes en opvolger van zijn vader). Dirk Hermansz van Wijhe (zie 3e heer) zegelt de acte van afstand ook.
De laatstgenoemde Johan van Wijhe had vijf kinderen die vermeld staan in een magescheid (boedelscheiding bij het overlijden van één der ouders) uit 1437 (Johan kanunnik en priester te Elst, Otto, Dirk, Johanna en Wilhelmina). Deze kinderen overleden ongehuwd, op Johanna na.


---o---

In 1272 kwam in het graafschap Gelre een einde aan het bewind van de legendarische graaf Otto II, bijgenaamd “de Kreupele”. Hij was zeer dapper en schonk aan de lijfeigenen, die op zijn bezittingen woonden, allerlei vrijheden. Ook gaf hij aan hele “buurten” een eigen vorm van regering. Hierdoor ontstonden de steden die steeds meer voorrechten kregen en namens de graaf door een schout werden bestuurd. Deze graaf Otto II zorgde er ook voor dat het graafschap Gelre zich geleidelijk uitbreidde, zodat omstreeks 1270 de huidige oppervlakte van Gelderland tot het graafschap behoorde.

Graaf Otto II werd in 1272 opgevolgd door zijn zoon Reinald I, die als bijnaam had “de Strijdbare”. Het is dus duidelijk waar deze Reinald zich mee bezig hield! Uiteindelijk werd hij in de bloedige slag bij Woeringen (1288) door hertog Jan I van Brabant verslagen. Reinald I liep een wond aan zijn hoofd op die niet meer genas. Hij schijnt daardoor krankzinnig geworden te zijn.

Tengevolge van de nederlaag van graaf Reinald I in 1288 moest hij het graafschap Gelre in pand afgeven aan graaf Gwijde van Vlaanderen. Het graafschap Gelre werd pas weer in ere hersteld toen in 1319 graaf Reinald I werd opgevolgd door zijn zoon Reinald II.

 
     
  lijn